Het energielabel voor utiliteitsbouw toont de energie-efficiëntie van een gebouw. Deze efficiëntie hangt af van de isolatiekwaliteit en de prestaties van de verwarming, koeling, ventilatie en verlichtingssystemen in het gebouw. De energielabels lopen van G (nog veel besparingsmogelijkheden) naar A (weinig besparingsmogelijkheden). Als er bovendien energie wordt opgewekt of hergebruikt middels zonnepanelen of WTW, kunnen er zelfs een aantal plussen (+) achter de A verschijnen.
Een energielabel is verplicht bij verkoop, verhuur of oplevering van utiliteitsgebouwen. Hieronder vallen:
- Kantoren: kantoren groter dan 100 m², deze moeten minimaal energielabel C hebben
- Onderwijs: zoals scholen en universiteiten
- Bijeenkomsten: zoals cafés, restaurants, kinderopvang en vergadercentra
- Gezondheidszorg: zoals ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen
- Logies: zoals hotels en pensions
- Sport: zoals sporthallen, stadions, zwembaden
- Winkels: zoals supermarkten, warenhuizen en showrooms van garages
Het energielabel moet opgesteld worden door een energieadviseur die aangesloten is bij een certificerende instelling. De energieadviseur moet bovendien werkzaam zijn voor een organisatie met een Beoordelingsrichtlijn (BRL) 9500-U certificaat. De volgende zaken worden gemeten:
- Isolatie: De kwaliteit en de hoeveelheid isolatie in het gebouw worden geëvalueerd, inclusief de isolatie van muren, daken, vloeren en ramen. De mate van warmteverlies wordt bepaald.
- Verwarmingssysteem: Het type en de efficiëntie van het verwarmingssysteem worden beoordeeld, inclusief de ketel of de warmtepomp. Het energieverbruik voor verwarming wordt geëvalueerd.
- Koelsysteem: Als het gebouw airconditioning heeft, wordt het type en de efficiëntie van het koelsysteem geëvalueerd, evenals het energieverbruik voor koeling.
- Ventilatie: Het ventilatiesysteem wordt gecontroleerd op de efficiëntie en of het voldoet aan de normen voor luchtkwaliteit. Ventilatie met warmteterugwinning kan ook een rol spelen.
- Verlichting: De verlichtingssystemen worden geëvalueerd, met aandacht voor het gebruik van energiezuinige verlichtingstechnologieën zoals LED.
- Zonwering en oververhittingsrisico: De aanwezigheid van zonweringssystemen en hun effectiviteit bij het reguleren van de temperatuur in het gebouw worden beoordeeld. Het risico op oververhitting in de zomer wordt geëvalueerd.
- Energiegebruik: Het totale energiegebruik van het gebouw wordt gemeten en vergeleken met normen en referentiewaarden.
- Luchtdichtheid: De luchtdichtheid van het gebouw wordt geëvalueerd om ongewenst luchtverlies te identificeren.
- Gebouworiëntatie en ontwerp: De oriëntatie van het gebouw en het algehele ontwerp kunnen de energie-efficiëntie beïnvloeden, vooral in termen van natuurlijke verlichting en verwarming.